Leestijd: 12 minuten
Print Friendly, PDF & Email

Luister hier naar het verhaal:

Geschreven door Mélanie Rijs

Of lees het hier zelf:

Ik ben boos. Of eigenlijk niet boos, het is eigenlijk meer verdrietig én boos. Dit jaar zouden we voor het eerst met het vliegtuig op vakantie gaan, dat leek me zo gaaf. Ja, ook wel een beetje spannend natuurlijk, maar vooral echt supertof. Ik kon niet wachten tot we in het vliegtuig zouden zitten. En dan op de beginbaan, hoe noem je zoiets … de startbaan, geloof ik. En dat het dan voelt alsof je in een achtbaan of nee een Formule 1-wagen zit. Dat de piloot dan optrekt en het vliegtuig met veel geraas en gegrom wel met 500 km per uur die startbaan af racet en dan op het allerlaatste moment aan de stuurknuppel trekt … en dat we dan zo steil de lucht in vliegen. En dan lekker elke dag naar de zee met mijn nieuwe duikbril en flippers, en natuurlijk heel veel ijsjes eten.

Ja, als ik eraan denk word ik daar helemaal opgewonden en blij van. Maar nee hoor, die stomme corona gooit alle plannen in de war. Ik schop tegen mijn stoel van woede. Door corona mogen we niet met het vliegtuig. Sterker nog, door corona mogen we niet eens met de bus of de trein, of met de tram of de metro. Nog even en ik mag niet eens meer een blokje om op de fiets, of voetballen op het schoolplein. Ik baal ervan en niet zo’n beetje ook. En bij opa en oma op bezoek mag óók al niet! Bleeeh, ik steek heel hard mijn tong uit. Op dat moment steekt papa zijn hoofd om de hoek van mijn kamer. “Hey Max,” zegt hij, “mag ik even binnenkomen?” Ik knik en hij komt naast me op bed zitten. “Ik begrijp best dat je boos bent, Max, en dat mag ook echt hoor. Alle plannen die we gemaakt hadden, alles wat we gewend zijn om te doen, alles wordt compleet overhoop gehaald.” Ik knik weer. Ja, dat klopt. “Ik vind het ook echt niet leuk, Max. Ik denk dat niemand het leuk vindt, maar het is even niet anders. Het is belangrijk dat we niet naar andere plekken gaan, want dan wordt het virus ook niet verder verspreid. Daardoor worden er hopelijk minder mensen ziek en zullen er ook minder mensen doodgaan aan dit virus. Er wordt echt heel hard gewerkt om een vaccin te vinden.” “Een fakzen, een wat?” “Een medicijn tegen corona”, zegt papa. “Oh, dat bedoel je. Ja dat hoop ik ook”, zucht ik. “Hoe het straks in de grote vakantie zal gaan, dat weet ik nog niet, en dat onze vakantie helaas niet door kan gaan is duidelijk”, zegt papa. “Maar volgende week is het meivakantie, dan zijn jij en Anne vrij en hoeven jullie niet naar school én geen schoolwerk te maken. En is er ook geen online les. Papa en mama hebben dan een verrassing voor jullie!” “Een verrassing? Echt? Wat gaan we dan doen in de meivakantie … en hoe dan?” vraag ik. “We mogen toch helemaal nergens naar toe?” “Nou,” zegt papa, ‘ik denk dat je maar gewoon even geduld moet hebben. Ik ga even met mama overleggen of alles door kan gaan, oké?” Ik vind het natuurlijk nog steeds heel erg balen dat we nu in de grote zomervakantie niet kunnen gaan vliegen, maar ben toch wel erg nieuwsgierig, en de meivakantie dat is … ik kijk op de kalender op mijn prikbord. Het is nu woensdag, maar wacht eens, dat is al over 3 dagen!

Op donderdag gebeurt er helemaal niets. Ik zie papa en mama af en toe naar elkaar kijken, maar verder laten ze niets los. Ik ga maar even voetballen in de straat, dat mag gelukkig wel, al is er niet veel aan, omdat iedereen verder binnen zit. Terwijl het toch al zulk lekker weer is, ik heb de hele week alleen maar een T-shirt en korte broek aan.

En dan wordt het vrijdag, de laatste dag voor de meivakantie dat we thuis les krijgen. Papa en mama hebben de taken verdeeld, meestal werkt mama op maandag, woensdag en vrijdag in de ochtend met ons aan ons schoolwerk. Papa doet dat op dinsdag en donderdag. Af en toe krijgen we ook online les en vraagt de juf hoe het gaat en waar we zijn met de lessen. Maar vandaag geeft papa ons les en gaat mama met de auto op pad. Ze gaat even naar de supermarkt, zegt ze. Nou ja, even … éven een boodschap doen is het niet. Ze haalt meteen voor een hele week eten in huis, om zo min mogelijk in contact met mensen te komen, zegt ze. En wij mogen niet mee, ook weer zo’n stomme coronaregel. Niet dat ik boodschappen doen nou zo ontzettend leuk vind, maar met dat thuiszitten heb ik het wel gehad. “Doeg, tot straks.” Ik kijk op van mijn rekenschrift. Zooo, die heeft wel heel veel tassen bij zich, wat zou ze allemaal gaan kopen? Wacht eens, is dat voor de verrassing? Ik kijk mama vragend aan. Mama zegt niks, maar geeft me een knipoog en loopt zo de deur uit!

’s Middags moet papa nog even naar een afspraak. Huh, een afspraak? Dat mag toch helemaal niet?  Mama is terug van het boodschappen doen, maar ze heeft niet veel bij zich. Ik snap er niets van. We moeten de komende week toch eten en drinken? Mama zegt dat we ons daar geen zorgen over hoeven te maken en dat Anne en ik onze tas mogen gaan pakken. Tas pakken? Zouden we dan toch …? “Wat moet ik meenemen, waar gaan we naartoe?” “Ho ho, rustig aan”, zegt mama. “Je mag voor 3 dagen kleren in de tas stoppen en vergeet je knuffels niet”. Dat laten Anne en ik ons geen twee keer zeggen.
Binnen een kwartier hebben we de tassen gepakt. O ja, tandenborstel en kam nog even snel in de toilettas en we zijn klaaaaaar. “Oké,” zegt mama, “stap maar vast in de auto”. Anne en ik kijken elkaar aan, waar gaan we naartoe? We stappen in de auto en even later vertrekken we. Maar … “Waar is papa, hij gaat toch wel mee?” vraag ik verbaasd. “Ja hoor,” lacht mama, “natuurlijk gaat hij mee, maar hij is er al.” Mmm, da’s raar, hij had toch een afspraak?

We rijden de straat uit, de wijk uit en de stad uit. “Wij gaan op vakantie”, zingen Anne en ik luidkeels. Mama rijdt de snelweg af, en zegt “Nog een klein stukje, jongens, dan zijn we er.” Ze stopt bij een parkeerplaats en knoopt ons allebei een theedoek voor als blinddoek. “Het is een verrassing, hè”, zegt ze lachend. Gehoorzaam blijven Anne en ik zitten. Ik ben zo nieuwsgierig, geen idee waar we zijn. Mama rijdt rustig verder, een rotonde, daarna wachten we bij het rode licht, denk ik. En dan nog 2 bochten en dan staat ze stil. “Stap maar uit”, zegt ze. “Hallo Max en Anne”, hoor ik een bekende stem. Dat is papa. We kunnen nog steeds niets zien, en mama en papa pakken ons elk bij een elleboog. We lopen op een pad en het voelt wel vertrouwd, maar waar zijn we toch? Ik voel dat Anne naast me staat en dan zegt papa dat we de theedoek af mogen doen. Ik schuif ‘m van mijn hoofd af en knipper met mijn ogen tegen het felle licht. Ik kijk en kijk, we staan in de achtertuin van opa en oma! Zij wonen buiten de stad en hebben een huis met een grote tuin en een heel stuk land eromheen.

Maar daar … wat is dat? Ik kijk nog eens goed. Op het grasveld achter op het stuk land staat een caravan, de deur staat open. Voor de caravan staat een grote plastic tafel met een vrolijk tafelkleed en stoelen eromheen. Er flappert een grote vlaggenlijn om de luifel van de caravan en ervoor ligt een groot pak. Wat is dat? “Welkom op camping Wegaannognietnaarhuis,” zegt papa. “Hebben jullie bagage bij je? Je kunt je tas uitpakken zodra we de tent hebben opgezet.” Een tent … een tent … Anne en ik kijken elkaar aan. Jaaaa, we slapen in de tent! We maken juichend een rondje om het grote pak. Papa helpt ons met het opzetten van de tent, we blazen de luchtbedden op en rollen de slaapzakken uit. “Maar hoe komen we aan al die spullen”, vraag ik mama. “Geleend van de ouders van Lotte. Die kamperen al jaren, dus die hebben alle spullen en van hen mochten we ook de caravan lenen. Lief hè?” ‘Nou. dat is zeker heel lief”, zeg ik. Mama heeft allemaal dingen gekocht die we lekker vinden. “Vanavond gaan we barbecueën”, zegt ze. “Maar eerst lekker even een broodje knakworst eten, mmm”.

’s Middags hebben papa en mama een spelletjesparcours voor ons bedacht. Eerst gaan we koekhappen, daarna spijkerpoepen en met een lepel met een ei erop slalommen langs pionnetjes. “Haha, het lijkt wel Koningsdag”, zegt Anne. Papa heeft zelfs aan prijsjes gedacht. Ik win een dikke reep Tony’s Chocolonely en Anne iets om armbanden te maken. Het lijkt wel een feestdag. Nadat we ’s avonds hamburgers hebben gebakken en de broodjes hebben versierd met sla en tomaat, mogen we als toetje marshmallows roosteren boven een echt kampvuur. We mogen wel tot 23.00 uur opblijven. Da’s supergaaf, want je kunt de sterren dan zo vanuit je bed aan de hemel zien staan. Wat een superleuke dag was dit. En dan te bedenken dat we hier nog 2 nachtjes mogen blijven. ik word er helemaal blij van. “Door corona worden we wel creatief in het bedenken van andere leuke dingen doen”, zegt mama terwijl ze me een nachtzoen geeft. “Lekker slapen, Max, morgen word je vast wakker met een zonnetje op je tent.” Ik knik, zoek een lekker plekje in mijn slaapzak en langzaam vallen mijn ogen dicht. Morgen, denk ik, morgen word ik wakker op de camping …