Leestijd: 13 minuten
Print Friendly, PDF & Email

Luister hier naar het verhaal:

Geschreven door Mélanie Rijs

Of lees het hier zelf:

Daar lig ik dan … en gisterenmiddag was er nog helemaal niks aan de hand. Na het avondeten kreeg ik pijn in mijn buik. Ik dacht nog: misschien had ik die laatste frietjes toch niet moeten eten. We aten namelijk verse frietjes met een broodje hamburger. “Om te vieren dat de werkweek weer om is”, zegt mama dan. Ik vind dat altijd superlekker, zelf frietjes bakken in de frituurpan. Mama schilt de aardappels en snijdt ze in dunne reepjes, en dan bakt ze ze lekker knapperig , met een flinke klodder mayonaise erop. Max eet zijn frietjes liever met curry, maar dat vind ik niet zo lekker.

Na het eten krijg ik een beetje buikpijn. “Dat gaat wel weer over”, zegt mama. “Je hebt vast te veel gegeten …” Maar de buikpijn gaat helemáál niet over, het wordt alleen maar erger. Ik probeer te gaan slapen, maar dat lukt helemaal niet. Midden in de nacht krijg ik steken in mijn zij en sla ik bijna dubbel van de pijn. “Dit is echt niet goed“, hoor ik mama tegen papa fluisteren. “Ik ga de dokter bellen”. Dan gaat het snel, ik moet overgeven en kan bijna niet meer op mijn benen staan. De arts die mama aan de telefoon heeft, beslist dat er een ambulance gestuurd wordt. Max is wakker geworden van al het lawaai en staat met verschrikte ogen in de deuropening te luisteren, hij begint te huilen. Papa gooit gauw een paar spulletjes in een tas. “Vergeet haar knuffels niet”, roept mama naar hem.

En daar is de ambulance al, maar er stappen geen mensen uit de ambulance. Wat zijn dat? Het lijken wel marsmannetjes … “Niet schrikken, Anne”, zegt papa. De twee mannen die uit de ambulance stappen, dragen grote witte pakken en witte zakken over hun schoenen. Ze hebben een rare kap op hun hoofd, dragen een mondmasker en hebben een enorme bril op hun neus. Je kan nog net hun ogen zien. Ik vind ze er maar eng uitzien. De twee ambulancebroeders stappen onze huiskamer binnen. Gelukkig klinken hun stemmen aardig en kijken ze me vriendelijk aan. Ze vragen waar de pijn zit, en voelen en kloppen op mijn buik. Ook vragen ze allerlei dingen aan papa en mama. Of ik al vaker zulke buikpijn heb gehad en of ik ziektes heb. “Ze zullen toch verder onderzoek moeten doen”, zegt een van de twee marsmannetjes, eh ambulancebroeders. “We willen haar toch meenemen naar het ziekenhuis”, zegt de ene broeder. “Nee toch, dat durf ik niet”, huil ik. Mama probeert me gerust te stellen en de ambulancebroeder zegt dat mama met me mee mag. Ze kunnen nog zo vriendelijk praten en kijken, ik ga echt niet alleen met twee van die aliens mee!

Op een brancard word ik de ambulance ingereden. Achteraf jammer dat ik zoveel pijn had, ik ben eigenlijk heel nieuwsgierig hoe zo’n ambulance er van binnen uitziet. Door die pijn heb ik nergens op gelet. Ook ben ik best geschrokken van die mannen in die enorme pakken.

Gelukkig blijft mama altijd heel rustig, en onderweg naar het ziekenhuis legt ze uit dat de ambulancebroeders deze pakken uit veiligheid dragen. “Zij komen met mensen in contact die ziek zijn en waarvan ze (nog) niet weten of ze het coronavirus bij zich hebben, dus daartegen moeten ze zichzelf beschermen. En als ze in aanraking komen met iemand die besmet is met het coronavirus, dan moeten ze ervoor zorgen dat zij dat virus niet verder verspreiden. Dus elke keer dat ze bij iemand thuis komen, trekken ze een nieuw pak aan. Dat trekken ze weer uit als ze klaar zijn. Daarna trekken ze weer een schoon pak aan voor in het ziekenhuis, omdat het virus daar natuurlijk absoluut niet verspreid mag worden.” Pfff, ingewikkeld allemaal hoor, ik snap het geloof ik wel, maar het is wel veel allemaal en met die pijn in mijn buik kan ik ook niet zo goed nadenken.

Wanneer we in het ziekenhuis komen, blijkt dat alle verpleegsters en broeders van die beschermende pakken aan hebben. Ik word apart in een kamer gelegd en er komt een dokter die even met de ambulancebroeders praat. “Mogelijk blindedarmontsteking”, hoor ik ze zeggen. Wat dat is weet ik niet, maar het klinkt niet goed in elk geval … Mama zit naast me en houdt mijn hand vast. “Eerst maar een echo”, zegt de dokter.

In weer een andere kamer krijg ik een soort gel op m’n buik gesmeerd en draaien ze met een apparaatje op mijn buik door die gel heen. Best raar, maar blijkbaar kunnen ze zo door mijn vel in mijn buik kijken. Da’s knap en gelukkig voel ik daar niks van. Op een soort televisiescherm ziet de dokter dan hoe mijn buik er van binnen uitziet. Ik kan ook op het scherm meekijken, maar zie alleen wat licht- en donkergrijze vegen. “Ik zie niks”, hoor ik de dokter zeggen. Daarna krijg ik een prik in mijn arm en vullen ze een heel glazen buisje met bloed. “Hey, wat is dat,” vraag ik, “dat is van mij, straks heb ik niks meer!” De dokter moet een beetje lachen en zegt dat dat niet zo snel gaat. “Een volwassen mens heeft wel 5 liter bloed. Kinderen wat minder, want die zijn natuurlijk minder groot. Dus één zo’n buisje kun je wel missen”, zegt hij. “Maar je hebt gelukkig wel al wat meer praatjes, hoe voel je je?” “De buikpijn is wel wat minder”, zeg ik. “Ik kan niets verontrustends vinden, maar ik wil nog wel even de uitslagen van het bloed afwachten. Het is nu 3.00 uur in de nacht”, zegt de dokter. “Ik stel voor dat we je naar de kinderafdeling brengen, dan kun je daar nog even proberen te slapen. Mama mag in een bed naast jou slapen en dan kijken we morgenochtend naar de bloeduitslagen, oké?” Ik zie mama knikken. De dokter zwaait naar mij en mama, en vertrekt. Aardige dokter, jammer dat ik door al die enorme pakken niet eens weet hoe hij eruit ziet.

Ik word in een rolstoel naar de kinderafdeling gereden. Dat schijnt altijd zo te gaan in een ziekenhuis, dat je niet zelf hoeft te lopen. Ik vind het prima, ik voel geen steken meer in mijn buik, maar hij voelt nog steeds heel zeurderig aan. Ik merk nu dat ik eigenlijk supermoe ben. “Mam, wat gaan ze nou met mijn bloed doen”, vraag ik. “Ze gaan je bloed onderzoeken onder een microscoop en er wat testjes mee doen. Zo kunnen ze zien of je ziek bent. Knap eigenlijk hè, dat ze zo kunnen zien of je wat mankeert”. Oké, denk ik, ik hoor het morgen wel, nu wil ik eigenlijk alleen nog maar slapen. Op de kinderafdeling staat er een schoon bed voor me klaar, waar mama me in tilt. Pfff, wat ben ik moe zeg.

Ik draai me om. Wat is dit, waar ben ik? Opeens weet ik het weer, ik lig in het ziekenhuis. Mama zit op een stoel naast m’n bed, ze is ook wakker. “Hoe gaat het liefje, heb je een beetje geslapen?” Ja, geslapen heb ik wel en m’n buikpijn … die is weg! “Mag ik nu naar huis, naar papa en Max?” “Dat weet ik nog niet, we moeten even op de dokter wachten”, zegt de verpleegster die om mijn bed loopt en een dienblad met een beschuitje en een beker thee bij me neerzet. “Probeer dit maar even te eten, kijken hoe dat gaat”, zegt ze. Dat beschuitje smaakt prima en ook de thee gaat er zo in. Eigenlijk voel ik me kiplekker, ik wil naar huis, naar Lot. Vertellen wat er allemaal is gebeurd. Wat duurt dat lang zeg, wanneer komt die dokter nou?

Opeens hoor ik een bons bij het raam naast m’n bed. Wat gebeurt er nou? Huh, het lijkt wel of er iets naar beneden komt. Wat is dat nou? Voor het raam bengelt Superman aan een touw, en daar komt nog iemand aan. Hé wacht, dat is Mega Mindy. Wat is hier aan de hand, waar komen die vandaan? Ze hangen aan touwen. Zouden ze helemaal vanaf het dak van het ziekenhuis naar beneden zijn gekomen? Hoe noem je zoiets … abseilen heet dat geloof ik. Oh, dat is hoog en eng, maar wel supergaaf! Het ziekenhuis is wel 8 verdiepingen hoog! De 2 andere kinderen die bij mij op de kamer liggen, kijken verbaasd en iedereen begint te lachen en door elkaar heen te roepen. Superman en Mega Mindy hangen al bungelend voor het raam, zwaaien naar ons en trekken gekke gezichten. Ook tekenen ze met een stift hartjes en gekke poppetjes op de ramen. We kunnen elkaar niet goed verstaan door het glas heen, maar met handen en voeten proberen we met gebaren te communiceren. Na een tijdje tikt Superman op zijn horloge en wijst naar Mega Mindy dat ze naar de volgende kamer moeten gaan. Er liggen natuurlijk meer kinderen in het ziekenhuis die het ook superleuk vinden om hen te zien.

Dat was een leuke verrassing, zeg. Ik zit nog met een glimlach op mijn gezicht als iemand in een witte jas naar mij en mama toekomt. Gelukkig, deze man heeft gewone kleren aan. Hij heeft wel een lange witte jas aan, maar gelukkig niet zo’n enorm pak, en ik kan zijn gezicht ook gewoon zien. “Ik ben dokter Koene”, zegt hij, en steekt zijn hand op. “Hoi Anne, ik mag je helaas geen hand geven en blijf hier aan het eind van je bed staan in verband met de anderhalve meter afstand die ik moet houden door corona. Hoe gaat het met je?” vraagt hij. “Goed”, zeg ik. Wat zou hij te vertellen hebben? Ik vind het best spannend, straks heb ik iets heel ergs en moet ik hier blijven en dan … “Ik heb goed nieuws voor jullie”, zegt dokter Koene tegen mama en mij. “Op de echo konden we niets vinden en ook de bloeduitslagen zien er goed uit. Met andere woorden, als je geen pijn meer hebt mag je van ons naar huis!”

Echt, dat is geen goed nieuws, dat is supernieuws! Mama geeft me een dikke knuffel. Ze heeft zich toch wel veel zorgen gemaakt zie ik aan haar gezicht. Ze ziet er plots zo opgelucht uit. Ze vraagt aan dokter Koene of hij een verklaring kan geven voor de buikpijn. “Nee, eigenlijk niet”, zegt hij. “Het kan zijn dat het toch iets is geweest van het eten, of dat het met haar darmen te maken heeft. Maar het is echt niets ernstigs geweest, anders hadden we dat wel gezien. Dus ik ga ervan uit dat het niet meer terugkomt”. Ik laat een hele diepe zucht ontsnappen, pfff ik ben zo blij. “Ik mag naar huis, ik mag naar huis”, zing ik blij. Mama en dokter Koene moeten lachen. “Goede reis naar huis,” zegt dokter Koene, “en hopelijk niet tot ziens, zeg ik dan altijd maar”. Hij zwaait als afscheid. Mama zegt dat ze papa even gaat bellen om te vragen of hij ons op komt halen. Ik knik en kan alleen maar denken: yes, naar huis!