Leestijd: 10 minuten
Print Friendly, PDF & Email

Luister hier naar het verhaal:

Geschreven door Jeltine Jans

Of lees het hier zelf:

Ik lig in mijn bed. Ik voel me helemaal niet lekker. Ik voel me moe en mijn ogen vallen bijna dicht. Sinds afgelopen weekend zitten er mannetjes in mijn mond, blauwe mannetjes. Ik voel ze achter in mijn keel. Het voelt heel dik en het doet erg pijn als ik slik. Het lijkt wel alsof die mannetjes met een hamer naar binnen zijn gegaan en steeds stiekem tegen mijn keel aan tikken. Ik heb een keer bij ‘Er was eens’ gezien dat die mannetjes je ziek maken en dat je ook witte mannetjes hebt die de blauwe mannetjes wegjagen. Die blauwe mannetjes zijn een virus. Nu ben ik bang dat die mannetjes coronamannetjes zijn. Ik heb bij het Jeugdjournaal een keer gezien dat coronamannetjes veel besmettelijker zijn. Ze dringen sneller je lichaam binnen en zijn heel sterk. Zo sterk, dat sommige mensen naar het ziekenhuis moeten.

De hele dag loop ik te kuchen. Van mama heb ik al speciale snoepjes gekregen die helpen tegen de keelpijn. Ik kruip nog verder onder de dekens. Ik durf mijn bed niet meer uit. Straks steek ik nog iemand aan.

Ik vind het altijd heel vervelend om ziek te zijn. Zeker nu. Ik mocht net weer naar school en naar de voetbaltraining. En nu? Nu kan ik niet eens afspreken met Jordy en Alex. Dat is echt balen. Ik moet alweer flink hoesten. Dit is echt niet leuk! Mijn vader zegt dat hij de coronawasstraat heeft gebeld, maar als ik ergens bang voor ben, dan is het wel de coronawasstraat. Ik heb op televisie gezien dat ze daar met een heel lang staafje je neus ingaan, en dat kan veel pijn doen. Brrr, ik krijg de rillingen als ik eraan denk.

Tja, er zit dus maar een ding op en dat is beter worden. En nog wel vandaag. Ik ga gewoon een gevecht aan met die coronamannetjes en ik moet winnen. Maar hoe doe ik dat? Ik bedoel, ze zitten op mijn tong en achter in mijn keel … Aah, ik heb een idee! Als ik nu eens mijn mond flink ga schrobben met een tandenborstel. Ik bedoel, van tandenpoetsen worden je tanden schoon. Dus ik denk dat als ik mijn mond en keel ga poetsen, de mannetjes dan zullen verdwijnen. Ik kruip uit bed, naar de badkamer. In de lade ligt mijn tandenborstel en tandpasta. Ik kan nét niet goed in de spiegel kijken, dus ik klim op een stoel die naast de wc staat. Zo, nu zie ik het beter. Ik steek mijn tong uit en ik kijk achter in mijn keel. Mijn keel is een beetje rood. Driftig begin ik met het poetsen van mijn tong. Ik sla geen hoekje over. Met mijn tandenborstel probeer ik zover mogelijk in mijn mond te komen, maar dat voelt helemaal niet fijn. Als ik klaar ben met tandenpoetsen ga ik op de stoel zitten. “Nou, dit is ook niks!” mompel ik en ik moet nog een keer heel hard in mijn elleboog hoesten.

Er moet een andere manier zijn om die mannetjes van mijn tong te halen. Ik weet dat je tegenwoordig je handen heel goed moet wassen met desinfecterende zeep. Wij hebben thuis overal van die zeep staan. Misschien werkt dat ook wel, mijn mond met die zeep wassen. Ik duw een stop in de gootsteen en zet de kraan open. Op dat moment komt Anne binnen, ze is net uit school gekomen. “Wat ben jij nou aan het doen, Max?” vraagt ze verbaasd. “Ik ben de coronamannetjes aan het wegjagen”, zeg ik, terwijl ik de desinfecterende zeep in de gootsteen giet. Er komen allemaal bubbels en ik steek snel mijn tong in het water. “Nee Max, dat werkt toch niet!” giert Anne uit van het lachen. Ik verslik me door haar reactie en neem een grote slok van het zeepsop. Op hetzelfde ogenblik laat ik een boer en er komt een dikke zeepbel uit mijn mond gevlogen. Anne en ik gieren het uit van het lachen. “Joehoe, ik kan bellenblazen”, schreeuw ik enthousiast. Anne probeert het ook. Ze stopt haar hoofd onder water en neemt een slok, maar er komt geen boer. Wel is Anne veranderd in Sinterklaas. “Whaahaa Anne, je lijkt net Sinterklaas!” Ik lig op de grond van het lachen. Anne kijkt in de spiegel. Ze ziet zichzelf en begint sinterklaasliedjes te zingen. Dit is té grappig.

Op dat moment komt mama binnen. “Wat is het hier voor bende?” vraagt ze geschokt. “Ik ben de coronamannetjes uit mijn mond aan het poetsen”, zeg ik. “Ooh, nee toch Max, dat moet je nooit doen!” zegt mijn moeder streng. “Zeep is heel slecht voor je lichaam, je mag er je handen mee wassen, maar nooit opdrinken”, legt mijn moeder uit.
Snel spuug ik de laatste zeeprestjes uit mijn mond. “Weet je wat, gaan jullie samen maar even de badkamer opruimen, dan krijgen jullie daarna wat lekkers”, zegt mijn moeder, terwijl ze op het punt staat weer naar beneden te lopen. Samen ruimen Anne en ik de badkamer op. We dromen over wat we aan Sinterklaas gaan vragen op pakjesavond. “Ik wil supergraag een barbiecamper”, zegt Anne blij. “En weet je wat ik wil?” vraag ik aan Anne. Anne weet het niet. “Ik zou heel graag met Sinterklaas mee willen naar Spanje, want dan kan ik naar mijn favoriete voetbalclub in Barcelona”, zeg ik dromerig. “Ja, ja, dat kan toch helemaal niet”, zegt Anne stellig. “Waarom niet?” vraag ik. “Nou, in Spanje is het immers code oranje”. “Hmmm, dat is ook niet leuk. Misschien kan Sinterklaas dan dit jaar ook niet op bezoek komen. Dat zou ik echt enorm balen vinden”, merk ik verdrietig op.

Nadat we de badkamer schoongemaakt hebben, gaan we naar beneden. “Hé, wat kijken jullie sip”, zegt mama. “Tja, het zou toch heel erg balen zijn als Sinterklaas dit jaar niet komt”, zeg ik en ik begin te huilen. “Ach, weet je Max, Sinterklaas kan altijd de pakjes per post opsturen”, zegt mijn moeder opgewekt. “Ooh ja, dat is ook zo!” schreeuwen Anne en ik blij in koor. “Willen jullie nu een raketje?” vraagt mama. “Want dat is immers ook goed voor je keel.” En dan opeens bedenk ik me dat ik al een tijdje geen mannetjes meer heb gevoeld op mijn keel. Ik was zo druk met pret maken met Anne, dat ik de mannetjes gewoon helemaal vergeten was. “Hé mama, dat is het! Als ik pret maak, dan gaan de mannetjes vanzelf weg!” roep ik. “Wat een enorm goed idee, Max”, zegt mama. “Wat zullen we gaan doen om de pret te verhogen?” Opeens heb ik een enorm goed idee. Omdat ik nu niet naar buiten mag, kan ik natuurlijk wel binnen een film kijken. “Zullen we samen een sinterklaasfilm kijken?” vraag ik aan Anne en mama. Anne en mama moeten heel hard lachen. “Dat is een goed idee, Max!” zeggen ze. Die middag kijken we samen ‘De stoomboot van Sinterklaas’. Zo kan ik me even verheugen op de komst van Sinterklaas en alle cadeautjes, en vergeet ik de mannetjes op mijn tong.

Als ik de volgende ochtend wakker word, merk ik dat de mannetjes met de hamer zijn verdwenen. Ik heb geen pijn meer in mijn keel. Ik spring mijn bed uit, trek mijn kleren aan en ren naar de slaapkamer van papa en mama. Die liggen nog te slapen, maar dat kan me niet schelen, want ik ben beter! Ik begin op hun bed te springen en schreeuw “Ik ben beter!” Slaperig zeggen papa en mama: “Goed zo jongen, dan kun je nu weer naar school.” En dan vult papa nog aan: “En de wasstraat, die zeg ik af.” Ik ben nog nooit zo blij geweest. Tja, alleen natuurlijk met pakjesavond.