Leestijd: 15 minuten
Print Friendly, PDF & Email

Geschreven door Mélanie Rijs

Vandaag mag ik met mama mee. Het is vakantie, dus we hebben geen online lessen en mama vind het niet zo’n goed plan om me de hele dag alleen thuis te laten. Normaal gesproken ga ik dan bij een vriendje spelen maar vanwege corona mag dat niet. En een uurtje of twee thuis vind ik wel oké hoor. Dan mag ik altijd wat lekkers uit de kast pakken, een bakje chipjes of een koekje. En niemand ziet dat het er stiekem twee zijn, haha. En weet je wat ook superfijn is… er is niemand die zegt: “Max leg die iPad nou eens weg, of ga eens even lekker in de tuin spelen.” Dus ik vind het best fijn om even alleen thuis te blijven zonder papa, mama of Lot. Maar een hele dag lijkt me ook wel lang hoor. En tja oma woont helemaal in Amsterdam, dus dat is al zeker een uur in de auto om er te komen en we moeten ook nog terug natuurlijk.

Oma moet vandaag naar het ziekenhuis. Er is niks ernstigs hoor, maar ze is pas geleden geopereerd en af en toe controleren ze of het goed met haar gaat. Ik vraag mama wat ze eigenlijk gaan doen. Nou zegt mama: “Dan controleren ze allerlei dingen. Of het bloed van oma goed is, en haar hartslag, en ze maken een scan.” “Een scan, wat is dat nou weer?” vraag ik. “Ze maken dan een foto van de binnenkant van je lijf, knap hé, zo dwars door je vel heen. Met een groot apparaat, waar je even heel stil in moet blijven liggen”. “Oh, moet je dan al je kleren uittrekken?” Mama moet lachen. “Dat vind ik een hele goede vraag van jou Max, maar dat hoeft niet, ze mag gewoon haar kleren aanhouden. En als de scan klaar is mag ze weer naar huis”.

Mama vraagt of ik nog even wil gaan plassen en dan gauw mijn schoenen en jas aan wil trekken, we moeten gaan zegt ze. Onderweg legt mama uit dat we oma ophalen en dan direct doorrijden naar het ziekenhuis. Het is allemaal even anders nu, normaal maken we er een dagje van en gaan we bij oma koffiedrinken en eten. Maar dat kan nu niet, we mogen niet bij oma binnenkomen vanwege het coronavirus. Oma is natuurlijk al wat ouder en omdat ze pas geopereerd is moeten we extra oppassen dat ze geen corona krijgt. Mama zegt dat oma nu extra kwetsbaar is.

Als we in de auto stappen laat mama twee mondkapjes zien die ze in haar tas mee heeft genomen. Ze vertelt dat we die straks op moeten doen. Zo’n mondkapje zorgt ervoor dat je zelf iemand anders minder snel kan besmetten. Als je bijvoorbeeld hoest of niest, blijven de spetters – die anders door de lucht vliegen – binnen je mondkapje. Daarom is het belangrijk dat je hem goed over je neus en mond doet. En omgekeerd – als iemand anders moet hoesten of niezen – krijg jij die spetters (ook wel aerosolen genoemd met een moeilijk woord) niet op je gezicht. Hierdoor wordt het virus minder snel verspreid. En als iedereen ook nog op 1,5 meter afstand van elkaar blijft dan krijgt het virus minder kans om zich te verspreiden.

Het is best ingewikkeld allemaal, maar zowel de juf als papa en mama hebben het al vaak uitgelegd. Best een vies idee eigenlijk die spetters in je gezicht, ik denk dat ik later altijd maar een mondkapje op doe… Zie je het voor je, de hele wereld voor altijd met een mondkapje op… Wel heel gek, maar jakkes bah het lijkt me toch niet fijn. En trouwens, eigenlijk hoef ik helemaal geen mondkapje te dragen, omdat ik nog geen 12 ben. Alleen kinderen vanaf 13 jaar en volwassenen mogen een mondkapje dragen als ze geen 1,5 meter afstand kunnen houden. Kinderen schijnen het virus minder snel te krijgen. Maar ik doe het mondkapje zometeen graag op, want ik vind het natuurlijk super belangrijk dat oma gezond blijft.

Ik kijk uit het raampje van de auto en zie dat we bijna in Amsterdam zijn. Ik herken de weg naar oma’s huis want die hebben we al heel vaak gereden. We stoppen bij het huis van oma en ik druk op de bel. Oma pakt haar jas van de kapstok en stapt direct naar buiten. “Zo”, zegt ze , “Jullie zijn lekker op tijd”. In plaats van een dikke knuffel houdt ze haar ellenboog op. Ik stoot met mijn ellenboog tegen de hare aan. Het is een gekke manier van begroeten, net zoiets als een boks met de vuisten tegen elkaar aan maar dan met ellenbogen, zo doen we dat tegenwoordig. Oma zet ook haar mondkapje op en gaat naast mama in de auto zitten. “Dag schat!” zegt ze, “Fijn je weer te zien. En fijn dat jullie met me mee willen gaan”. Onderweg naar het ziekenhuis kletsen oma en mama honderduit. Ik zit achterin, luister half naar hun verhalen en kijk uit het raam.

Nog twee straten dan zijn we bij het ziekenhuis. “Nou” zegt oma, “Dan zie ik jullie straks weer”. Dat is waar ook, bedenk ik me. Mama had verteld dat we niet mee het ziekenhuis in mogen. Ook alweer vanwege dat stomme virus. De hele wereld lijkt wel op z’n kop te staan. Gelukkig kan oma dit prima zelf en red ze zich wel, dat zegt mama altijd tenminste. “Bel me maar even als je klaar bent”, zegt mama tegen oma. “Dan komen Max en ik je straks weer ophalen, wij vermaken ons wel”.  “Veel succes en tot straks”, oma zwaait naar ons en loopt het ziekenhuis binnen. Oja, denk ik, hoezo vermaken wij ons wel, wat gaan we doen dan? Mama rijdt inmiddels het parkeerterrein van het ziekenhuis af. Kom Max, zegt ze, we parkeren straks de auto en dan zie je Amsterdam zoals je het nog nooit eerder hebt gezien. Ik snap het niet helemaal, wat is er anders dan?

Als we geparkeerd hebben en uit de parkeergarage komen zie ik wat mama bedoelt. We staan midden in Amsterdam, het is hier altijd druk er rijden altijd fietsers, scooters, auto’s en trams kris kras door elkaar. Ik ben er al een keertje bijna aangereden door een fietser omdat ik niet goed links en rechts keek voor ik over stak. Mama schrok zich helemaal te pletter, ze kon me nog net bij m’n jas grijpen. En die fietser, die riep: “Hé, kun je niet uitkijken” en fietste daarna gewoon hard door. Ook lopen er altijd enorm veel mensen. Zoveel dat je niet eens de stoep meer kan zien.

Het zijn niet alleen mensen die in Amsterdam wonen maar ook heel veel mensen die hier op vakantie naar toe komen, toeristen noemen ze die. Dat ziet er gek uit joh, soms zie je zo’n groepje mensen lopen met een camera of telefoon in hun hand en maar steeds overal foto’s van maken. Van de huizen, de grachten, de rondvaartboten en vooral van elkaar. Ik zag zelfs wel eens iemand die met zo’n groepje meeliep en van alles vertelde, een soort gids. Die hield een paraplu omhoog in de lucht en riep “follow me, follow me”. Papa vertelde dat het: “volg mij maar” betekent en die paraplu omhoog hield zodat ze haar niet kwijt konden raken. En het regende niet eens! Dat vond ik echt super gek en moest daar hard om lachen. Het is er ook zo druk dat ik het liefst mama’s hand vasthoud. Dat doe ik eigenlijk niet zo vaak, ik vind dat niet stoer, maar ik wil haar hier echt niet kwijtraken. Maar nu… De straten zijn leeg, de grachten zijn leeg. Ik zie zelfs geen auto’s rijden. In de verte zie ik een fietser en er rijdt al tringelend een tram langs, ik kijk… ook leeg!

Ik bedenk me… op de snelweg was het ook al zo rustig. Er reden wel wat vrachtwagens maar weinig auto’s en ik heb ook geen camper of caravan gezien. Dat was ook best gek eigenlijk. Ik vraag mama hoe dat zit. “Weet je hoe dat komt Max, zegt ze. “Bijna iedereen werkt thuis, net als papa en ik. Dat moet, zo kan het virus zich zo min mogelijk verspreiden. Alleen als het echt niet anders kan mag je naar je werk. Als je bijvoorbeeld dokter bent en in het ziekenhuis werkt. Of in een supermarkt, of een garage.  Je kunt natuurlijk niet vanuit huis auto’s repareren of mensen opereren.” “Oh ja, nu snap ik het ja, dat is natuurlijk zo”, zeg ik. “En als je in een restaurant werkt, dat kan ook niet vanuit huis toch”, vraag ik. “Nee”, zegt mama “Dat kan inderdaad niet. Alle restaurants zijn dicht. Ze mogen geen mensen binnen ontvangen, je kunt dus niet uit eten”. “Oh, echt niet?” vraag ik teleurgesteld. Ik had me al verheugd op een lekker broodje en misschien wel een glaasje cola. “Nee” zeg mama, “Jammer hé. Maar ik heb een verrassing, kom maar eens mee”. We lopen richting het park.

“Weet je” zegt mama, de restaurants zijn dan wel dicht er mogen geen mensen komen eten, maar je kunt er wel eten afhalen. Dus je mag zo iets lekkers te eten en drinken uitzoeken”. Vlakbij het park is een restaurant waar ze een loketje hebben gemaakt. Het lijkt op een open raampje en het meisje binnen vraagt door het open raam wat we willen bestellen. Maar ik weet toch niet wat ze hebben? Ik kijk mama aan. “Kijk!” zegt ze, “Hier staat een bord op de straat, kijk daar maar op. Ze hebben een broodje gezond, een pizzapunt of een tosti ham/kaas”. “Mmm, een pizzapunt dat lijkt me wel wat”. “Doe mij er ook maar eentje” zeg mama “En hebben jullie ook nog iets lekkers voor erna?” Ze kijkt naar mij, “Appeltaart?” Ik knik, dat vind ik de lekkerste taart. “Nog 2 punten appeltaart en twee cola, alsjeblieft”, zegt ze tegen het meisje. We moeten even wachten tot de pizza warm is. Als mama betaald heeft krijgen we alles keurig verpakt in zakjes in een papieren tas mee. “Eet smakelijk!” roept het meisje ons na. We lopen het Vondelpark in en zoeken een mooi plekje bij het water op. Mama tovert een deken uit haar tas en spreidt die op de grond uit. “Kom” zegt ze, “We gaan lekker picknicken”. Mmm die pizzapunt smaakt lekker zeg. Ik kijk om me heen. Hier is het ook al zo stil. In de verte zie ik iemand met een hondje lopen. Verder is er niemand in het park te zien. Ik vind het wel lekker rustig zo eigenlijk.

Als we de appeltaart en cola op hebben horen we de ringtone van mama onderin haar tas afgaan. “Dat is vast oma”, zegt ze. Het is inderdaad oma, ze is klaar. Of we haar weer op willen halen. We kloppen snel het kleed uit en nemen de tas met lege zakken mee. Die gooien we wel in de vuilnisbak naast de ingang van het park weg. We lopen naar de parkeergarage en rijden naar het ziekenhuis.  Voor de ingang van het ziekenhuis zit oma in het zonnetje op een bankje te wachten. “Zijn jullie daar al jongens, duurde het niet te lang?”. “Nee oma, het was reuzeleuk” vertel ik haar. “Het was bijna helemaal leeg in de stad, en ik mocht een pizzapunt én appeltaart én cola, en we gingen picknicken in een leeg park”. “Dat klinkt goed jongen”, zegt ze. “Ja maar oma, ik hoop dat we snel weer bij jou thuis mogen komen hoor. Het was wel leuk zo maar ik mis jouw knuffels wel.” “Ach lieverd”, zegt oma, “Dat komt heus wel weer. Voor nu vind ik het fijn dat ik je gezien heb en dat je een leuke middag hebt gehad. En superfijn dat jullie mijn taxi wilden zijn vandaag”. We zijn bij oma’s huis aangekomen, ze geeft bij het uitstappen een ellenboog en zwaait. De deur gaat achter haar dicht.

We rijden terug naar huis. Ik kijk uit het raam, het was een beetje vreemde dag zo, maar het was wel leuk met de picknick en alles, ik ben er moe van. Ik dommel een beetje weg, straks zijn we weer lekker thuis bij papa en Lot en ga ik ze vertellen hoe leuk het was in de lege stad en wat voor lekkers we gegeten hebben.

Credits illustraties: Designed by Freepik & PublicDomainVectors