Leestijd: 14 minuten
Print Friendly, PDF & Email

Luister hier naar het verhaal:

Geschreven door Jeltine Jans

Of lees het hier zelf:

Als ik voor een oranje stoplicht sta kan ik beter stoppen, maar waarom gebruiken ze eigenlijk de kleur oranje? Oranje geeft aan dat er bijna gevaar dreigt, maar net niet helemaal. Ik vind het wel gek. Voor mij is oranje juist een hele fleurige kleur, de kleur van de lente, van de sinaasappels, de mandarijntjes en natuurlijk van Koningsdag. O ja, en niet te vergeten van Halloween, want pompoenen zijn ook oranje natuurlijk. Ik kan wel honderdduizend dingen opnoemen die niet eng zijn en tóch oranje. Dus waarom betekent oranje dan dreigend gevaar?

Ik kijk naar het Jeugdjournaal. Alle landen onder Nederland kleuren oranje, het teken van dreigend gevaar. Ik snap het niet. Wat is er aan de hand? Zijn die landen soms boos op Nederland? Mama legt uit dat het met corona te maken heeft. “In landen zoals België, Frankrijk en Spanje worden er steeds meer mensen ziek door corona. Daarom is het niet veilig om naar die landen op vakantie te gaan, en dit noemen ze code oranje”, legt mijn moeder uit. “We willen natuurlijk niet ziek worden of nog erger, dat er heel véél mensen ziek worden en alle restaurants dicht moeten!” zegt mijn moeder opgewonden. Ach, mijn moeder denkt ook alleen maar aan zichzelf!

‘s Avonds lig ik in mijn bed. Ik kan helemaal niet slapen. Wat zou ik er nou aan kunnen doen om de wereld minder oranje te laten zijn? Ik vind het helemaal niet leuk dat we niet meer naar een ander land kunnen. Ik hoorde zelfs dat we ook al niet meer naar Rotterdam en Amsterdam kunnen, omdat het daar ook oranje is. Straks mogen we nergens meer naartoe en zitten we weer opgesloten in huis. Mark Rutte sprak alweer over een intelligente lockdown. Nou, wat dat is snap ik niet, maar ik vind het helemaal niet intelligent klinken. Ik heb helemaal geen zin om níet meer naar musicalles te kunnen of níet meer met Lot te kunnen afspreken. Weet je wat, ik ga er gewoon een stokje voor steken. Ik bedoel, mijn moeder zegt weleens ‘een beter milieu begint bij jezelf’. Dat geldt natuurlijk ook voor corona, een virusvrije wereld begint bij jezelf.

De volgende dag komt mijn moeder mijn kamer binnenstormen. “Je moet nu echt opstaan, Anne!” roept ze. “Het is al kwart voor acht en je moet om tien over acht op de fiets zitten.” Mijn ogen zitten nog dichtgeplakt, ik wil alleen maar slapen. “Oké, ik kom zo”, mompel ik. Ik strompel uit bed en sjok naar de badkamer. Als ik in de spiegel kijk, zie ik onder mijn ogen dikke wallen. Ik heb ook heel lang gepiekerd gisteravond, bedenk ik me. Stiekem pak ik de foundation van mijn moeder en smeer die onder mijn ogen om mijn wallen weg te poetsen. Als ik beneden kom, zegt mijn moeder: “ Wat heb jij nou weer onder je ogen, Anne?” en ze moet lachen. Ik reageer er niet eens op en eet mijn boterham met pindakaas die mijn moeder voor mij gesmeerd heeft. Ik schrik opeens, het is al kwart over acht. Snel pak ik mijn tas, en ik spring op de fiets. De boterham met pindakaas hangt nog in mijn mond. Ik hoor mijn moeder nog roepen: “Veel plezier vandaag op school, Anne. En op tijd naar bed vanavond!”

Bij het fietsenhok zie ik Lot. “Heb je het gehoord, van de code oranje?” vraagt ze. “Ja”, zeg ik al gapend. “Ik heb hier zó geen zin in!” “Nee, ik ook niet”, zegt Lot. “Weet je wat? We kunnen wel een campagne maken, een soort reclame, om iedereen op te roepen om zich aan de regels te houden”. Ik word al wat enthousiaster. “Dat lijkt me een heel tof plan, Lot!” roep ik. “En dan kunnen we wel als slogan gebruiken: Een virusvrije wereld begint bij jezelf.” Lot wordt helemaal enthousiast van de plannen. Ze rent over het schoolplein. Ik moet enorm hard lachen. Lot kan soms echt zo’n blije kip zijn.

In de ochtend hebben we tekenles. Meester Patrick legt uit hoe je kleuren kunt mengen. “Je hebt primaire kleuren, dat zijn geel, rood en blauw”, zegt hij. “En als je twee primaire kleuren mengt, bijvoorbeeld geel en blauw, dan krijg je groen. Dat is een secundaire kleur.” We mogen het zelf uittesten. Ik moet denken aan code oranje. “En oranje?” vraag ik. “Hoe krijg je oranje?” “Goede vraag, Anne!” zegt meester Patrick. Yes, ik krijg een compliment van meester Patrick, toch altijd leuk. “Oranje krijg je door geel en rood met elkaar te mengen, dus oranje is ook een secundaire kleur.” Maar eigenlijk wil ik helemaal niet weten hoe ik oranje maak, maar juist het tegenovergestelde van oranje. Want dan kan ik misschien code oranje verslaan. Het is natuurlijk een wild verhaal, maar wie weet. En we kunnen die kleur natuurlijk altijd gebruiken voor onze campagne, bedenk ik me. “En heb je ook tegenovergestelde kleuren?” vraag ik aan meester Patrick. “Jazeker, Anne. Die heten complementaire kleuren. Kleuren die tegenover elkaar staan.” Moeilijk woord, complementair. Ik besluit het gewoon tegenovergesteld te noemen. Dat vind ik makkelijker. Meester Patrick legt uit dat een hele beroemde schilder, Vincent van Gogh, veel werkte met complementaire kleuren, namelijk met geel en blauw. Ik ken Vincent van Gogh wel, want ik ben een keer naar het Kröller-Müller Museum geweest en daar waren ook schilderijen van Vincent van Gogh. “Meester, wat is dan de tegenovergestelde kleur van oranje?” vraag ik. Meester Patrick moet even nadenken. “Nou Anne, dat is ook een beetje blauw, paars.” Dat is goed om te weten. Ik kijk naar Lot. We moeten giechelen om onze geheime campagne.

Na schooltijd spreken Lot en ik samen af. We gaan borden maken voor onze campagne. De garage is altijd onze knutselplaats geweest, omdat er heel veel spullen liggen van papa zijn werk die wij mogen gebruiken. En er liggen ook nog een paar planken, niet zo heel erg groot en ook niet zo heel erg dik. “Die zijn perfect!” roep ik enthousiast. De een verven we blauw en de andere paars. “Hé, een actiegroep heeft toch ook altijd een naam?” vraag ik aan Lot. “Ja, da’s waar, maar hoe zullen we onze actiegroep dan noemen?” denkt Lot hardop. “Ik heb een goed idee! We noemen ons ALA! Anne-Lot-Actiegroep”, roep ik, en ik fladder van enthousiasme door de garage. Op de borden zetten we met roze verf in het groot ALA.

Nu nog twee slogans. “Nou ja, eentje hebben we al natuurlijk”, zeg ik. “Dat is: een virusvrije wereld begint bij jezelf.” Lot knikt. “Ja, en op het andere bord zetten we: Tegen code oranje.” Wat hebben we samen toch weer goede ideeën, Lot en ik. Als de borden af zijn, pakken we allemaal blauwe kleding uit mijn kast. Ik heb alleen niet zoveel, want mijn lievelingskleur is roze. We missen nog één shirt. “Hmm, ik denk dat mijn moeder nog wel een blauwe trui heeft”, zegt Lot. Met de borden in de hand rennen we naar het huis van Lot. Lots moeder heeft inderdaad een blauwe trui. “Perfect!” zeg ik. “En nu?” Ik kijk Lot vragend aan. “Nou, ik heb laatst op televisie gezien dat je altijd op een groot plein gaat staan als je actie wilt voeren”, zegt Lot. “We kunnen naar het winkelcentrum?” zeg ik, terwijl ik Lot vragend aankijk. “Dat doen we!” zegt Lot.

Met ons blauwe kostuum en de beide borden gaan we op het plein bij het winkelcentrum staan. We staan zij aan zij, maar wel op anderhalve meter afstand. Zo geven wij in ieder geval het goede voorbeeld. We beginnen hard te roepen. Eerst durf ik niet echt, maar Lot schreeuwt vrijuit: “Een virusvrije wereld begint bij jezelf.” Daarna schreeuwt ze nog meer dingen, zoals “Houd afstand en zorg goed voor elkaar. Wij willen geen lockdown!” Ik merk dat ik opgewonden word van wat Lot allemaal roept, en langzaam kom ik ook los. Eerst zeg ik heel zacht: “Houd afstand, lieve mensen.” Ik voel me steeds groter worden en uiteindelijk schreeuw ik uit volle borst mee. Er komen kinderen uit onze klas langs gefietst. Ze zien ons en vinden het vet. “Ja, mogen wij ook meedoen?” vragen Kasper en Tijn enthousiast. “Ja hoor!” zeggen we in koor en we moeten giechelen. Langzaamaan wordt de groep steeds groter. Uiteindelijk staan er wel tien kinderen van onze school die ons meehelpen met actievoeren. We houden wel anderhalve meter afstand, want anders kunnen we straks nog een boete krijgen en dat wil ik echt niet. We schreeuwen allemaal door elkaar, maar onze boodschap is duidelijk: Weg met code oranje! Maak Nederland virusvrij!

We staan inmiddels al een uur te demonstreren. Het is al half 5 en dan stopt er een auto voor het plein. Er stapt een fotograaf uit en iemand met een camera en een microfoon. “Goedendag, we hoorden dat jullie actie aan het voeren zijn. Klopt dat?” zegt de man met een grote grijze snor en een camera in de hand. “Ja meneer, dat klopt”, glunder ik. “We zouden jullie graag een paar vragen willen stellen en dan komen jullie vanavond op de televisie bij Hart van Nederland. “Wauw, dat is vet!” roepen Tijn en Kasper in koor. “Oké, dat kan,” zegt Lot heel wijs, “maar u moet alleen Anne en mij vragen stellen, want wij zijn de oprichters van ALA. “O ja, waar staat ALA dan voor?” vraagt de man met de snor. Ik zie in mijn ooghoeken dat de camera al draait. Dit is té spannend. Lot praat al honderduit tegen de man met de snor. Ze vertelt over code oranje en dat de mensen geen afstand houden, te veel feestjes vieren en veel reizen. “Hierdoor neemt de corona weer toe,” zegt ze. “Ja, en wij willen mensen oproepen om zich juist weer aan de regels te houden, zodat de wereld voor iedereen leefbaar blijft”, zeg ik, terwijl ik in de camera kijk. Na 15 minuten zijn de cameraman en de fotograaf weer vertrokken. Met z’n allen gillen we het uit van de spanning.

“Ik moet nu echt naar huis! Dit moet ik aan papa en mama vertellen!” schreeuw ik. Met mijn bord onder de arm en in mijn blauwe kostuum ren ik naar huis. Mama is de aardappelen aan het schillen. “Mama, mama, ik kom op tv!” roep ik enthousiast. “Wat zeg je?” vraagt mama, en ze kijkt verbaasd. “Ik kom op tv!” schreeuw ik nogmaals. Mama zit vol ongeloof naar mij te kijken. En dan leg ik het hele verhaal uit. Van code oranje, van een virusvrije wereld, van onze actiegroep ALA. En dan valt ook het kwartje bij mama. Na het eten zetten we de televisie snel aan, het duurt nog even voordat Hart van Nederland op tv is. Ik begin te knikkebollen. Ik ben immers nog moe van gisteravond. En dan opeens buldert papa: “Anne, kijk!” Ik schrik wakker. Daar ben ik dan, met mijn gezicht op de televisie. Ik glimlach, maar vind het ook wel een beetje gek. Ik voel me nu toch wel een beetje bekend.

Wat was dit een mooie dag, zeg. Ik heb mijn steentje bijgedragen aan een betere wereld en ben ook nog op tv geweest. En nu? Nu ben ik gewoon heel moe, dus ik slenter naar bed. De volgende dag op school worden we door iedere leerling aangesproken. Ook de ouders herkennen Lot en mij van tv. “Wat is het tof, hè, om bekend te zijn!” zeg ik tegen Lot. Lot grinnikt. “Nu zijn we echte influencers!”